![]() |
![]() |
|
![]() |
Zuid-Holland Zuid
|

| > Home > Pagina | Zoek op trefwoord | ||
|
'Opzetten van projecten in Oekraïne'Verslag workshop 3 onder leiding van Beja Kluiters en John Stienen, Stichting Spoetnik Vooraf: over de stichting Spoetnik De stichting Spoetnik is in 1993 opgericht voor aanvankelijk alleen humanitaire hulp in Oekraïne. Dit gebeurde via hulpgoederentransporten met vrachtwagens. De stichting zocht daarvoor al gauw contact met collega-organisaties in Oekraïne zelf. Inmiddels is de stichting Spoetnik uitgegroeid tot een organisatie met 25 vrijwilligers. Jaarlijks worden ongeveer twintig transporten gerealiseerd. De stichting heeft veel deskundigheid op het gebied van de invoer van humanitaire goederen naar Oekraïne, vooral over het efficiënt regelen van de grensovergang. Ook houdt de stichting zich bezig met schoolprojecten en projecten in jeugdgevangenissen en kindertehuizen. Inmiddels zijn er ook contacten met de Oekraïense overheden. Spoetnik deelt haar expertise graag met andere ngo’s die in Oekraïne actief zijn. Workshop John Stienen behandelt de resultaten van een onderzoek door de Stichting Platform Samenwerking Nederland–Oekraïne uit 2004. Het onderzoek betrof de aard en actieradius van Nederlandse organisaties die zich met Oekraïne bezighouden. De respons was onvoldoende: 25 bruikbare reacties van de 243 verspreide enquêteformulieren. Wel bleek dat de meeste initiatieven/organisaties zijn opgericht na de onafhankelijkheid van 1991, in totaal 73 projecten in 40 dorpen en steden. Geografisch lag er daarbij het accent op het uiterste westen van Oekraïne en enkele provincies in het noorden. Waarschijnlijk hebben deze accenten te maken met de kerkelijke oriëntatie van veel van de Nederlandse en Oekraïense betrokkenen. Zo is er bijvoorbeeld in het westen van Oekraïne een protestants-christelijke (Hongaarse) minderheid en heeft een aantal ngo’s aan Nederlandse kant ook een protestantse achtergrond. Voor de praktijk van de projecten maakte de kerkelijke of algemeen sociaal-culturele achtergrond overigens niet veel uit. Bij de doelgroepen valt de hoge score van ‘de jeugd’ op: kinderen in het algemeen, wezen, scholen en studenten. Daarnaast zijn gevangenen en ouderen vaak genoemd. Bij de etnische (minderheids)groepen gaat het vooral om de Hongaren en de Roma. De hulp betreft verder vooral de levering van typische gebruiksgoederen, zoals kleding en medische apparatuur. Organisaties richten zich soms ook op financiële en organisatorische hulp en geestelijke hulpverlening. Stienen vertelde ook dat doelen waarop bijvoorbeeld vanuit ‘Den Haag’ nogal op wordt gewezen – versterking van het maatschappelijk middenveld en ‘good governance’ – nauwelijks aan bod komen. Wel werkt Stichting Spoetnik zelf mee aan een opmerkelijke samenwerking tussen de gemeente Vlaardingen en een Tsjechische en Oekraïense gemeente. Het gaat hierbij om het vertalen van kennisoverdracht uit het verleden tussen de gemeenten Vlaardingen en het Tsjechische Moravska Trebova naar het Oekraïense Romny. Praktijk humanitaire hulp Beja Kluiters besprak vervolgens de praktijk van de humanitaire hulp voor Oekraïne. Een en ander op basis van haar jarenlange ervaringen met transporten, grenscontroles en ontvangende ngo’s. Kluiters noemde een aantal belangrijke aspecten:
a. de culturele aspecten van humanitaire hulp in Oekraïne b. het toewerken naar zelfstandigheid c. hoe om te gaan met de overal aanwezige corruptie Wat betreft de culturele invalshoek werd duidelijk dat humanitaire hulp (of ‘charitas’) in Oekraïne niet bij voorbaat onverdacht is. Integendeel. Er bestaat een zeker wantrouwen tegen: ‘helpen gebeurt nooit voor niets, betrokkenen aan beide kanten doen het alleen om er zelf wijzer van te worden.’ Dat vooroordeel is vooralsnog lastig te doorbreken. Uit de inbreng van een deelnemer bleek dat vrijwilligershulp aan een tehuis voor gehandicapte kinderen praktisch niet van de grond te tillen valt. Er waren in ieder geval in 2006 geen mensen uit het betrokken dorp en omgeving voor te vinden. Zoiets doet men niet, het hoort er kennelijk niet bij. Zeker als er geen geld of een andere duidelijke vergoeding aan verbonden is. Waarschijnlijk een combinatie van cultuur en armoede. Een moeilijk vanuit Nederland te doorbreken gegeven. Een ander cultureel gegeven is de zelfstandigheid, het op eigen benen staan. ‘Je moet geen vis brengen, maar een hengel geven’ is de Nederlandse invalshoek voor de wat langere termijn. Maar dat hengelen blijkt niet altijd even vlot te gaan. Bij het streven naar zelfstandigheid zijn stages in Nederland soms belangrijk. Bijvoorbeeld in de sfeer van de gezondheidszorg. Maar dan is taalvaardigheid – het spreken van bijvoorbeeld redelijk Engels – essentieel. Anders komt de boodschap niet over. Het omgaan met corruptie is een andere vraag. Stichting Spoetnik geeft er niet aan toe. Dit wellicht omdat de stichting op regerings- en departementaal niveau inmiddels een aantal contacten heeft opgebouwd. Vandaar kan men in noodgevallen een zekere druk uitoefenen. Ook sommige andere organisaties proberen – principieel – de corruptie te ontlopen. Maar een aantal lukt dat niet. ‘Als ik niet door de poort van de corruptie ga, kan ik de boel wel schudden’, aldus een van de deelnemers aan de discussie. Anderen benadrukten de voorbeeldfunctie van ngo’s: "Als wij het al doen, dan staat voor iedereen de deur open. En als je er aan toegeeft, dan snijd je jezelf steeds meer in het vlees....." Aan de deelnemers van de workshop werd een A4-tje uitgedeeld met relevante informatie. Deze kunt u ook aanvragen via Beja Kluiter, beja@spoetnik.nl. Of neem contact op met Stichting Spoetnik. Oost–Europa Dag 2006 Samenwerken met de nieuwe buren COS Zuid-Holland Zuid, 25 november 2006
|
|
||||
|
|
|||||